“His face was carved like a mask of a face.”
— Jesse Ball, The Early Deaths of Lubeck, Brennan, Harp & Carr
— Jesse Ball, The Early Deaths of Lubeck, Brennan, Harp & Carr
| – ...Spanje, of Portugal, |
| – of Italië. |
| – Ja, Italië is ook mooi. |
| – Maar daar is het oorlog. |
| – Wat? |
| – In Italië, daar is het oorlog. |
| – Over twee jaar is het hier ook oorlog. |
| – Hier? |
| – Ja, over twee jaar is het hier ook oorlog. |
| – Zitten wij dan wel veilig? |
| – Nee, niemand is veilig. |
— Jesse Ball, The Way Through Doors
In het gras ligt een verlengsnoer. Een verlengsnoer verlengt door verdere verlengsnoeren, allemaal aan elkaar, door het hele veld. Ze leiden tot het hek van een achtertuin, door die tuin naar de bijkeuken, waar een jongen het laatste snoer in het stopcontact steekt.
Eerder die avond zat hij op de zolder boven de zolder, in de punt van het dak. Hij zocht in kartonnen dozen naar alle kabels. Zijn ouders hadden vaak gezegd dat hij er niet moest komen, zo hoog, hij kon vallen en het was gevaarlijk. Desondanks had hij een ladder gepakt en gooide hij alles wat hij vond naar beneden zodat hij het straks mee kon nemen.
Het paste nog nét in de kartonnen doos.
Niet al te ver van zijn huis is een parkje. De herfst piekt in kleuren, nog een paar dagen en de bladeren zullen vallen.
Hij heeft alle snoeren aan elkaar gelegd tot in het midden van het park, waar één van de grootste bomen staat, daar is hij ingeklommen en weer uitgekomen. Ergens in het park leest een jongen een boek onder een massieve berk vol kerstverlichting.
De laatste tijd (al even, eigenlijk) aan het aquarelleren geweest. Eerst bomen op a5, daarna bergen op a4. De bomen komen later.
altaar #01: hier

altaar #02: rook/toppen

altaar #03: schrift

altaar #04: twee/stereo

altaar #05: zijde

altaar #06: verdieping

altaar #07: gering/summier

altaar #08: -

altaar #09: holte/binnen/wit

altaar #10: minder

(het zijn er dus (tot nu toe) tien)
— Jesse Ball, The Way Through Doors
ik stel een dans voor
zo, rond de meubels
één voor twee, de stappen passen
per maat, per maart, per april
want de grond is stil en
boven zucht het plafond
(hij hangt nog alle dagen)
het is een dans als een gasmasker
we bewegen in een blok beton
een vacuümcel, carrouselpaarden draaien
maar wij komen, langzaam, een eindje verder
verklik de verrader, knip in je vingers
erop tellen hoeft niet meer
zwijgende mus, kring van kastanjes
wit blinde krans, kruin van een man
we stoppen halverwege, gaan
op de bank zitten, de globe
zakt achterover
valt van de zon af
zo zijn we, dansten de kinderen
voor sommige dingen word je
tenslotte te oud
ja, mus, vlekken van wind
vergeving ligt straks in de asbak
smeult na, de dagen in een jaar
vertel ik je als ze geweest zijn
koffievlek, bureaubladeclips
van een mok gisteravond, te laat
eigenlijk, om nog te drinken
maar zitten in de kamer
van cement
is beter dan het bed
dekens zijn al te zwaar, de nacht
knippert zijn ogen, mus, de morgen
komt als zwart voor het donker
zullen we nog één keer kijken
in plaats van het einde
uit te stellen, ik wed
dat vandaag de juiste dag is
mus, ik ken je maar
het glas droogt op
strijkers wroegen, paardenhaar
knapt stuk voor
stuk breek ik mijn kootjes
maar de laatste vingers, mus
die zal jij wel moeten doen
Dat ik, staande voor het bushokje, een raar gevoel had lag voornamelijk aan de panda die naast me stond – met winterjas en sjaal – maar het kwam ook, denk ik, doordat de bus te laat kwam. Nu was het een kleine halte in een niemandsdal, met andere woorden, het was helemaal niet vreemd dat de bus te laat kwam. Sterker nog, het zou opzienbarend geweest zijn als de bus op tijd was. Toch voelde het anders dan anders.
Of misschien was juist dat het. Dat iets me, hoewel het totaal niet bijzonder was, zo obsessief verwonderde – en dat dat in feite was wat ik werkelijk raar vond.
Ik probeerde af en toe met een schuin oog naar de panda te kijken. Hij wreef met zijn poten over, nou ja, zijn armen, zoals mensen dat doen als ze het koud hebben. Uit zijn bek kwamen ademwolkjes.
Pandaogen zijn nauwelijks zichtbaar, de ogen zijn zwart en de vlekken rond de ogen ook. Daardoor lijkt het alsof ze nog veel groter zijn, die ogen, en dieper, putten zonder bodem. Dat zie je bij mensen ook wel eens, dat je naar iemands ogen kijkt en het lijkt alsof er niet alleen kassen maar hele kamers achter zitten.
Misschien zien die mensen wel meer, denk ik dan. Als je meer ruimte achter je oog hebt, dan kan er meer licht in je ogen vallen, of zo. En dan zie je gewoon meer. Zoiets.
In ieder geval, uiteindelijk kwam de bus, hij stopte voor mijn voeten en de deuren gleden open. De chauffeur keek me aan, ik zei hoi, hij zei hoi, de kaartlezer zei beep, ik liep verder. Ook de panda stapte in. Ik zag dat hij een anonieme chipkaart had. Logisch ook, want strippenkaarten, die bestaan niet echt meer, hè.
“Divinity seems defined by echo. (…) An echo, while implying an enormity of a space, at the same time also defines it, limits it and even temporarily inhabits it.” - Mark Z. Danielewski, House of Leaves